Test de néerlandais pour francophones

Avant de commencer à compléter le formulaire d'inscription, nous vous invitons à remplir un test d'auto-évaluation de néerlandais. En effet, pour exercer le métier d'accompagnateur de train, la maîtrise du néerlandais est une nécessité. Elle constitue d'ailleurs la première étape éliminatoire de la procédure de sélection (note minimale requise: 15/30).

Les résultats de ce test ne sont enregistrés nulle part et ne vous seront donnés qu'à titre d'information.

A l'issue de ce test, vous recevrez automatiquement les résultats et vous pourrez ensuite remplir le formulaire d'inscription.

Vocabulaire

Choisissez la préposition correcte

Exemple

le chien

( ) het dier                  (x) de hond                ( ) de wolf                  ( ) de hoond

 

La terre

de aard

het aarden

de aarde

de zon

Rare

zeldzaam

raar

zelden

vreemd

La loi

de werkelijkheid

de wet

het weten

de leugen

Economique

economiek

economique

economisch

ekonomiek

La gare

de garage

de statie

het station

het stadhuis

Préposition

Choisissez la préposition correcte

Exemple

 frapper contre un mur -   ...een muur slaan

( ) onder                 (x) tegen                ( )aan                 ( ) in         

                     

être au programme   -     .... het programma staan

in

op

met

aan

aimer ses enfants  -   ... zijn kinderen houden

door

op

van

aan

accepter pour vrai  -   ... waar aannemen

met

onder

voor

door

mourrir d'une maladie -  sterven ... een ziekte

met

uit

op

aan

il y va de votre honneur  -  uw eer staat ... het spel

in

naast

onder

op

être important - ... belang zijn

op

van

door

met

Les verbes

Remplissez les verbes

ik werkte (OVT) - zijn (être): jullie .......

zijn

waren

geweest

gezijn

ik heb gewerkt (VTT) - gaan (aller): jij .....

heb gegaan

gebt geweest

bent gegaan

is gegaan

ik werk (OTT) - antwoorden (répondre): hij .....

antwoord

antword

antwordt

antwoordt

ik werk (OTT) - reizen (voyager): zij (sing) .....

reizet

reizt

reist

reizen

ik werkte (OVT) - doen (faire): wij ...

doenden

daden

deeden

deden

Ik werk - zijn: ik ........

is

ben

wees

bent

ik werkte (OVT) - Geloven: ik ......

gelooft

geloft

geloovde

geloofde

Pluriel

Choisissez le pluriel correct

Choisissez le pluriel correct

de eiren

de kinden

de runden

de lammeren

Kies het juiste meervoud

de collega's

de babies

de individues

de milieu's

Kies het juiste meervoud

de lepels

de engels

de treins

de eeuws

Choisissez le pluriel correct

de mannen

de vrouwwen

de jongen

de meisjen

Choisissez la possibilité correcte

De groen kast

een geel huis

de rood jurk

de blauw mensen

Choisir le pronom personnel approprié

Zie je die jongen? Ja, ik zie .....

hem

haar

hen

hun

L'ordre des mots

Choisissez l'ordre correct des mots

Choisissez la proposition correcte

de mooi vrouw

de leuk jongen

de toffe man

de klein kinderen

Choisissez la proposition correcte

de arm mensen

het rijk meisje

de plastic stoelen

de oranjen bloemen

Choisissez la proposition correcte

de groot mensen

het leuke kind

het timiede kind

de roode bloem

Choisissez l'ordre correct des mots

Vandaag is het mooi weer

Vandaag waren het mooi weer

Vandaag was het mooi weer gewezen

Vandaag waren het mooi weer gewezen

Choisissez l'ordre correct des mots

Bloemen hou ik van

Van ik hou bloemen

Ik hou van bloemen

Hou van bloemen ik

Les pronoms possessifs

Choisissez le pronom possessif correct

Is dat mijn boek? Neen, dat is ..... boek

je

jouw

hen

jou

De jongen ..... daar staat is mijn broer.

wie

wat

dat

die

l'ordre des mots

Choisissez l'ordre correct des mots

Toen ik klein was, .....

had ik veel met mijn poppen gespeeld

speel ik veel met mijn poppen

speelde ik veel met mijn poppen

heb ik veel met mijn poppen gespeeld

Voordat ik bij de bank werkte, .....

heb ik al 5 jaar bij De Post gewerkt

zal ik al 5 jaar bij De Post werken

zou ik al 5 jaar bij De Post werken

had ik al 5 jaar bij De Post gewerkt

Choisissez l'ordre correct des mots

Een auto rode gisteren gezien ik heb

Gisteren heb ik een rode auto gezien

Heb ik rode een auto gisteren gezien

Gezien een rode auto ik heb gisteren

Choisissez l'ordre correct des mots

De kinderen denk dat zullen ik kopen een mooi cadeautje

Ik denk de kinderen dat een cadeautje mooi zullen kopen

Ik denk dat de kinderen een mooi cadeautje zullen kopen

De kinderen zullen denk dat ik een mooi cadeautje kopen

Choisissez l'ordre correct des mots

Misschien moeten zij de blauwe auto verkopen

Zij verkopen moeten misschien de auto blauwe

Moeten misschien zij de auto blauwe verkopen

Zij verkopen moeten misschien de blauwe auto

Choisissez l'ordre correct des mots

Lekker, heb ik gegeten een ijsje

Ik heb een lekker ijsje gegeten

Heb ik gegeten een lekker ijsje

Lekker, heb ik een ijsje gegeten

Choisissez l'ordre correct des mots

Morgen ik moet voor opa een appel kopen

Morgen ik moet kopen een appel voor opa

Ik moet kopen een appel voor opa morgen

Ik moet morgen een appel voor opa kopen

La traduction correcte

Choisissez la traduction correcte

La voie

Het spor

Het spoor

de wegen

de hond